Cassatie 9 maart 2020: Osmose bij de procedure vereffening-verdeling

26/05/2020
Bron: Deknudt Nelis
Geschreven door: Guillaume Deknudt

In casu
waren de echtgenoten gehuwd onder scheiding van goederen. Nog tijdens het huwelijk had de man volgens de vrouw misbruik gemaakt van een volmacht omtrent een persoonlijke rekening van haar alsook omtrent een onverdeelde rekening die zij samen met haar man aanhield. De vrouw had dit opgeworpen bij de notaris, aangesteld in het kader van een procedure van vereffening en verdeling. Nog hangende die procedure had de vrouw middels een afzonderlijke procedure gedagvaard teneinde haar centen te recupereren (de totaliteit waar het de persoonlijke rekening betrof, de helft waar het de onverdeelde rekening betrof).


Het hof van beroep te Antwerpen oordeelde dat dit geschil volledig losstaat van de gerechtelijke vereffening-verdeling, vermits deze aanspraken geen verband houden met enige onverdeeldheid. In essentie betreft het volgens het hof van beroep te Antwerpen een eigen schuldvordering inzake het eigen vermogen van de vrouw.


Nadat het Hof van Cassatie vaststelde dat het arrest op dit punt niet werd bekritiseerd, oordeelde het Hof van Cassatie dat de appelrechters correct hadden geoordeeld dat dit bij afzonderlijke procedure kon worden gevorderd los van de vereffening-verdeling.


Het arrest van het Hof van Cassatie bevat niettemin een aantal belangrijke passages.


Belangrijk in het arrest van het Hof van Cassatie is dat het Hof oordeelt dat uit de artikelen 1209-1223 (oud) Gerechtelijk Wetboek volgt dat van zodra is gedagvaard in vereffening en verdeling, betwistingen die verband houden met de vereffening en verdeling in beginsel slechts in het kader van deze procedure kunnen worden aangebracht en dat deze betwistingen op uitsluitend initiatief van de boedelnotaris bij de rechtbank aanhangig kunnen worden gemaakt door neerlegging van een proces-verbaal van beweringen en zwarigheden. Het Hof herformuleert dit vervolgens nog eens en stelt: “Betwistingen die verband houden met de vereffening en verdeling kunnen vanaf dan, in beginsel, niet meer door de partijen in een afzonderlijke procedure voor de rechter aanhangig worden gemaakt.


Los van het feit dat het Hof dus duidelijk uitzonderingen mogelijk acht (“in beginsel”, zie in dit verband overigens Cassatie 26 oktober 2017 alsook 1 februari 2018), is verder de vraag wat “verband houden met” betekent.


Ook hier voegt het Hof enige verduidelijking aan toe: “Vorderingen die geen verband houden met de vereffening-verdeling omdat zij geen invloed hebben op de omvang van de onverdeeldheid of de wijze van verdeling ervan, kunnen daarentegen ten allen tijde in een afzonderlijke procedure worden ingesteld, ook al werd dezelfde vordering reeds in het kader van de vereffening-verdeling ingesteld.”


De vraag is evenwel hoe deze laatste zin moet worden begrepen, aangezien de afzonderlijke procedure in casu blijkbaar ook betrekking had op een onverdeelde rekening van waaruit de man gelden had getransfereerd middels de volmacht naar zijn persoonlijke rekening. Minstens dit gedeelte van het geschil lijkt dan toch wel een invloed te hebben op “de omvang van de onverdeeldheid”. Mogelijks was er hier echter een niet-doorlatend membraan om tot die beoordeling te komen vermits zoals hoger vermeld het Hof van Cassatie had vastgesteld dat de beslissing van het hof van beroep stellende dat dit losstond van de vereffening-verdeling niet was bekritiseerd.


Uit hetgeen voorafgaat volgt dat het Hof van Cassatie algemeen (los van de specifieke casus hier) de taak van de notaris vrij ruim wenst op te vatten, hetgeen op basis van de wetteksten zelf niet voor de hand liggend is (zie onze eerdere nieuwsbrief).


Tegelijkertijd wordt er duidelijk ruimte gelaten voor uitzonderingen. Wellicht doelt het Hof hier dan op de arresten van 26 oktober 2017 en 1 februari 2018, waar initiatieven buiten de eigenlijke procedure vereffening-verdeling toch kunnen (en om verjaring te vermijden zelfs vereist zijn).


De moeilijkheid in de praktijk blijft te weten wat de regel is en wat de uitzondering. Is de uitzondering beperkt tot de gevallen waar het echt nodig is om een afzonderlijke procedure te starten? Als de verjaring nakend is bijvoorbeeld? Wat met een vordering die pas binnen negen jaar effectief verjaart? Kan u dan al afzonderlijk gaan of moet u nog wachten? En is het criterium van de verjaring hier een correct onderscheid? Kan er op basis van de actuele wettekst van het Gerechtelijk Wetboek worden verantwoord waarom de rechtbank aan zet is wanneer er verjaring dreigt en dat niet het geval is wanneer het bijvoorbeeld de interpretatie van een testament betreft (waar dan geen verjaring speelt)?


Algemeen besluit is toch dat de aflijning tussen de bevoegdheid van de rechter versus die van de notaris-vereffenaar (ook bij de actuele artikelen van het Gerechtelijk Wetboek, die op dat punt niet gewijzigd zijn) toch bijzonder wazig blijft met begrippen als: “verband houden met”, “invloed hebben op”, “in beginsel”…


Op basis van de actuele wetteksten van het Gerechtelijk Wetboek is duidelijke taakverdeling tussen de rechter en de notaris niet voorhanden, ook niet na dit arrest. Voeg daarbij de leer uit de arresten van 26 oktober 2017 en 1 februari 2018 en de daarbij horende mogelijke verjaring van vorderingen in de mate ze niet afzonderlijk in rechte zijn gesteld, dan is de huidige procedure een mijnenveld voor de advocatuur.